Vormingsjaar

Ik wist niet goed wat ik nou moest gaan doen na de havo. De grootste oorzaken daarvan zijn mijns inziens: te weinig zelfvertrouwen, onvoldoende begeleiding en te weinig eigen initiatief. In deze blog wil ik het over het volgende hebben: waar had ik behoefte aan toen ik net van de havo kwam?

Mijn bovenbouw-havo-carrière was vrij succesvol. Ik deed de laatste twee jaar van de havo netjes in… twee jaar. Ik hoefde geen enkel vak te herkansen bij de examens. Alleen maar voldoendes op mijn eindlijst. Kat in ‘t bakkie, zou je zeggen. Er was echter een ding wat niet goed ging: de voorbereiding op een vervolgopleiding.

Enkele dingen die ik nu ga vertellen zijn bij sommigen wellicht bekend, maar ik wil een duidelijk beeld schetsen.

Het leek mij leuk om iets met talen te doen, maar wat? Leraar zag ik niet zitten, tolk ook niet en vertaler leek mij een te eenzijdig beroep. Daarnaast kon ik met mijn havodiploma niet naar de universiteit. Dat had er destijds ook niet in gezeten, want ik durfde niet in een grote stad op kamers. Daarnaast vond ik de loopbaanbegeleiding op de havo niet voldoende en te veel gericht op mbo en speciaal vervolgonderwijs. Ook nam ik zelf nauwelijks initiatief en ik was angstig, mede door onbegrip uit het verleden.

Administratief/secretarieel werk leek de beste optie. Ik liet me overhalen om naar een speciale mbo-instelling te gaan. Daar zouden ze me nog extra kunnen begeleiden bij mijn persoonlijke ontwikkeling en ze konden me helpen met het zoeken van werk. Dan kon ik daarna gaan werken en in de tussentijd nadenken over wat ik echt wilde, om eventueel in deeltijd mijn ‘droomstudie’ te gaan doen. Het opleidingstraject werd bekostigd vanuit het UWV en had de vorm van een re-integratietraject.

Het speciale mbo was niet wat ik zocht. Ik voelde mij er totaal niet op mijn plek. Dat was ook geen verrassing, want ik wilde er van tevoren ook eigenlijk helemaal niet naartoe. Ik was daardoor niet voldoende gemotiveerd voor mijn opleiding. Er zijn nog wel meer dingen die daar niet goed gegaan zijn, helaas. Ik had als achttienjarig, onzeker, bang muisje behoefte aan iets anders. En dat is…

Tromgeroffel…

Een vormingsjaar!

Een vormingsjaar? Ja, een vormingsjaar!

Wat is dat, Meindert?

Nou, dat zal ik haarfijn uitleggen.

Het vormingsjaar zou een soort ‘brug’ kunnen zijn tussen de middelbare school en het beroeps- of wetenschappelijk onderwijs, een traject waarin jongeren die nog niet klaar zijn voor het vervolgonderwijs in een jaar worden klaargestoomd voor het mbo, hbo of de universiteit. De reden waarom jongeren hiervoor kiezen maakt niet uit, het kan van alles zijn: een beperking, een moeilijk jeugd, detentie, noem maar op.

De invulling van het vormingsjaar? Dat kan van alles zijn. Denk hierbij aan trainingen in sociale vaardigheden, coping, plannen, verschillende soorten zelfstandigheidstrainingen en Rots & Water. Een ander onderdeel is intensieve oriëntatie op studie en werk. Het bezoeken van mbo-scholen, hogescholen en universiteiten en het bijwonen van open dagen, meeloopdagen en, wat mij nog beter lijkt: meeloopweken. Wellicht ook meeloopdagen bij bedrijven. In zo’n traject zou ook samengewerkt kunnen worden met andere instanties, zoals bijvoorbeeld Bartiméus, die tijdens het traject bijvoorbeeld zelfstandigheidstrainingen kunnen bieden aan deelnemers met een visuele beperking of mee kunnen denken over een passende opleiding of studie.

Oh ja, die trainingen mogen best wel intensief zijn. Een week met een groep naar de Ardennen gaan en allerlei survivalopdrachten doen kan sommige mensen veel meegeven, bijvoorbeeld zelfvertrouwen. Daar ben ik het levende bewijs van!

Zo’n traject zou echt maatwerk moeten zijn. Zo kan het dus dat iemand die van de havo komt, meeloopdagen/weken gaat draaien op het mbo, hbo én de universiteit, omdat hij/zij wil ontdekken welke onderwijsvorm het meest passend is. Tot slot hoeft natuurlijk niet iedereen alle trainingen te volgen, maar alleen die trainingen die hij/zij nodig heeft. Om een beeld te schetsen hoe het naar mijn mening niet moet: tijdens mijn opleiding was een sociale vaardigheidstraining verplicht, terwijl ik er daarvoor al meerdere heb gehad. Ik heb niets aan de training gehad. Daarnaast komt een verplichte sociale vaardigheidstraining naar mijn mening een beetje stereotyperend over, alsof iedereen die bij zo’n speciaal mbo (of, als zoiets wordt gerealiseerd, een vormingsjaar doen) terechtkomt bepaalde sociale vaardigheden tekortkomt. Dat kan de ontwikkeling van mensen remmen.

Een van de aller- állerbelangrijkste eigenschappen waar een coach/begeleider/leraar van zo’n vormingsjaar-instelling aan moet voldoen? Oprechte interesse in de doelgroep. Ik weet als geen ander hoe belangrijk het is dat je echt gehoord en gezien wordt. Gezien en gehoord als mens, en niet als ‘gehandicapte’, ‘klant’ of – ja, ik zeg het maar gewoon – ‘product’. Dat men vooral naar jouw mogelijkheden kijkt en je niet iedere keer op je tekortkomingen wijst. En oh ja: stimuleren in plaats van dwingen.

De duur van het traject? Moeilijke vraag. Ik vind in ieder geval dat er geen druk op de leerlingen/deelnemers gelegd mag worden. Mensen moeten de tijd krijgen die ze nodig hebben om tot een bepaald doel te komen. Mocht dat snel lukken, dan hoeft zo’n traject niet lang te duren. Als ik er toch een maximumtijd aan vast zou moeten plakken, dan zou ik zeggen: een jaar.

In mijn optiek zou een instelling als deze bij een school aangesloten moeten zijn, het is dus nadrukkelijk geen re-integratietraject. Dit soort bedrijven worden bekostigd vanuit het UWV of gemeentes en ze moeten mensen binnen een bepaalde tijd aan een baan helpen. Naar mijn mening werkt dit niet goed voor de doelgroep waar ik het over heb. Omdat er die ‘druk’ achter zit, ben ik bang dat men onvoldoende ruimte krijgt om zich op de juiste manier te ontwikkelen.

De uiteindelijke doelen van het vormingsjaar? Minder schooluitval, tevreden en zelfverzekerde studenten, meer inclusie en uiteindelijk: tevreden werknemers en werkgevers!

Bent u onderwijsprofessional of op een andere manier betrokken en vind u deze blog interessant? Ik zou het fantastisch vinden om in gesprek te kunnen om mijn ideeën nader toe te lichten.